zondag 25 februari 2018

De onzichtbare hand van de vrije markt

Voor onze welvaart is de markteconomie onmisbaar. Althans, dat wordt door velen gedacht en gepropagandeerd. Niet dus! Het is een sprookje dat onze markteconomie een onmisbare voorwaarde is voor welvaart. Erger nog, die markteconomie blijkt op langere termijn die welvaartsgroei juist te ondermijnen en zichzelf ten val te brengen.


Het is een sprookje dat onze markteconomie een onmisbare voorwaarde is voor welvaart. Erger nog, die markteconomie blijkt op langere termijn die welvaartsgroei juist te ondermijnen en zichzelf ten val te brengen.

Dat beschrijft de internationaal werkende economisch historicus Bas van Bavel uitgebreid in zijn boek De onzichtbare hand - Hoe markteconomieën opkomen en neergaan. Van Bavel laat in zijn boek nauwgezet zien dat politici, economen en beleidsmakers al decennialang de plank misslaan.

De vrije markt, die de afgelopen dertig jaar breed werd omarmd, blijkt op langere termijn de welvaartsgroei juist te remmen. De reden? Nieuwe economische elites veroveren met hun rijkdom politieke en juridische macht en sluiten nieuwkomers buiten, zo schrijft de auteur. De ongelijkheid neemt toe en investeringen nemen af. Het idee dat de vrije markt zorgt voor meer welvaart en dat die welvaart door democratische principes gelijkelijk over de bevolking wordt verdeeld is een utopie.

Juist omdat die nieuwe rijken politiek gezien de macht grijpen en ervoor zorgen dat ze door aanpassing van wet- en regelgeving nog meer rijkdom naar zich toetrekken. De gewone burger heeft het nakijken en die pikt dat op enig moment niet meer. Zie daar het begin van het verre einde van die markteconomie. Een ‘minor detail’ dat vrije marktadepten als Margaret Thatcher, Ronald Reagan, tal van topeconomen en de vele kabinetten van Lubbers, Kok en Rutte blijkbaar over het hoofd hebben gezien.

Bas van Bavel komt tot zijn conclusie na bestudering van een aantal bloeiperiodes in de geschiedenis waarbij in grote mate sprake was van een markteconomie. De gedachte dat de vrije markt een moderne Europese vinding is, klopt niet. Er zijn namelijk al eerder vrije markten geweest. De auteur spreekt over ‘factormarkten’ waarop, naast de eeuwenoude handel in producten en diensten, de productiefactoren kapitaal, arbeid en grond vrijelijk verhandeld werden. De auteur bestudeerde de vroegmiddeleeuwse bloeitijd van Irak (van 500-1100), de markten in de middeleeuwse stadsstaten in Noord-Italië (van 1000-1500), de markten in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne Nederlanden (van 1100-1800) en de markten in de moderne staten van Engeland, VS en West-Europa (van 1500-2000).

Stuk voor stuk floreerden deze samenlevingen aanvankelijk enorm. De vrijgekomen markt bracht inderdaad ongekende welvaart voor alle bevolkingslagen. Na verloop van tijd ontstond echter ook een steeds groter wordende ongelijkheid. Er ontstonden marktelites, die uiteindelijk ook politieke macht verworven: het begin van het verval van de vrije markt. De rijken veranderen de regels om de status quo te bewaken. Dit resulteert niet alleen in ongelijkheid, maar ook in economische en technologische stagnatie. Zo bracht de vrije markt zich bij de eerste drie onderzochte samenlevingen zelf ten val en ging de gelijkwaardige samenleving waarin ze was opgekomen mee ten onder.

In het naschrift legt de auteur de link met de huidige tijd en de situatie in Amerika waar president Donald Trump (ondernemer en miljardair) maar liefst vijf miljardairs in zijn regering heeft opgenomen. Om na een miljarden kostende verkiezingscampagne grote belastingherzieningen door te voeren die vooral gunstig zijn voor de rijke bovenlaag van de bevolking. Denk in Nederland aan oud-politici als Kok, Kroes en Zalm die naar het bedrijfsleven overstapten en als commissaris en bestuurder vooral oog leken te hebben voor de belangen van grootverdieners en aandeelhouders.

Nieuwe economische elites veroveren ook in deze tijd met hun rijkdom stevig de politieke en juridische macht. Steeds vaker ten koste van het algemeen belang en de gewone man die er decennialang nauwelijks op vooruitgaat. Vooral omdat beschermende instituties steeds verder worden afgebroken en corrigerende mechanismen om deze ontwikkelingen te keren ontbreken. Dat de vrije markt tot ongeremde welvaart leidt is onjuist. De economische groei is de afgelopen periode in het Westen lager dan in de decennia vóór de marktdominantie, zo stelt de auteur.

De auteur besluit zijn reis langs de verschillende bloeiperioden en markteconomieën met zijn goed beargumenteerde conclusie. Namelijk dat markteconomieën op de lange termijn fundamenteel onverenigbaar zijn met welvaart, gelijkwaardigheid en brede democratische besluitvorming. Waarbij de auteur bij iedere bloeiperiode een terugkerende cyclus ziet van positieve fases met toenemende welvaart, gevolgd door negatieve fases met stagnatie, uitholling van de democratische en sociale rol van de staat, grotere ongelijkheden en afnemende welvaart met grote sociale onrust.

De auteur rekent in zijn boek ook af met veelgehoorde mythen als dat er pas de laatste tweehonderd jaar sprake is van een ‘markteconomie’, dat vrije markten de enige manier zijn voor meer welvaart, dat markten zuiver en uniform zijn en dat de mensen in het (verre) verleden slechter af waren dan de laatste tweehonderd jaar. Allemaal aannames die volgens de auteur aantoonbaar onjuist zijn. Denk aan periodes met bloeiende zelfvoorzienende samenlevingen, gildes en coöperaties. Die misvattingen ontstaan volgens de auteur doordat de meeste politici, economen en beleidsmakers niet verder terugkijken dan hooguit de laatste vijftig tot honderd jaar. Daardoor missen ze essentiële inzichten die een hele andere blik op de zogenaamde zegeningen van de vrije markt werpen.

De auteur heeft een fascinerend, gedegen en doorwrocht boek geschreven van 485 pagina’s over de ‘onzichtbare hand van de markt’. Uitvoerig gedocumenteerd en soms erg gedetailleerd. Het boek leest daardoor niet altijd vlot weg. Het is regelmatig even doorbijten want de auteur gaat soms ver in detail om zijn bevindingen te beschrijven en conclusies te onderbouwen. Zo wijdt de auteur zeven pagina’s aan de precieze werking van de grond- en pachtmarkten in de Iraakse bloeiperiode. Of denk aan de veertien pagina’s waarin de auteur minutieus beschrijft hoe de groeiende economische en politieke ongelijkheid het einde van de VOC en gouden eeuw inluidde. Maar de beloning mag er zijn aan het eind van het boek. Het betoog van de auteur komt overtuigend over en de inzichten die het oplevert zijn verrassend. Het boek is een aanrader voor iedereen die zich bezig houdt met of geïnteresseerd is in welvaartsverdeling en de mythe van de vrije markt.

Ik sluit graag af met de essentie van De onzichtbare hand zoals de auteur dat beschrijft: ‘de vrije markt leidt niet tot vrijheid, gelijkwaardigheid en welvaart, maar andersom – vrijheid en gelijkwaardigheid zijn een voorwaarde voor welvaart en goed-functionerende markten. Toenemende vermogensongelijkheid, een product van marktdominantie, is een doorslaggevende factor bij het weer verdwijnen hiervan, waarmee we dus ook onze vrijheid en gelijkwaardigheid dreigen te verliezen. Het is de vraag of het nog niet te laat is om deze ontwikkeling met een nieuwe golf van zelforganisatie om te keren.’

De tijd zal het leren.


Deze recensie is ook gepubliceerd op Managementboek.nl. Het boek De onzichtbare hand is te koop op Managementboek.nl.

PS:

1. In het blad Maarten schrijft de Nationale brombeer Maarten van Rossem in zijn special van  Februari-April 2018 over de toenemende inkomensongelijkheid o.a. het volgende: De afgelopen veertig jaar zijn de allerrijkste Amerikanen in een enorm tempo nog veel rijker geworden, terwijl de armste Amerikanen armer zijn geworden en de krimpende middenklasse er nauwelijks op vooruit is gegaan. Tussen 1979 en 2008 ging 80 procent van de inkomensgroei naar de bovenste 1 procent. Nieuw economisch onderzoek heeft volgens van Rossem overtuigend duidelijk gemaakt dat het economische beleid van de (door rijken en belangenpartijen gedomineerde) Amerikaanse overheid de financiele expansie van de elite heeft veroorzaakt. Dat riep bij mij de vraag op: ligt hier een belangrijke oorzaak van de onvrede van de Amerikaanse 'jan met de pet' c.q. de door de overheid in de steek gelaten achterban van Donald Trump?   

2. Het interessante artikel 'Onze poldertraditie is aan herwaardering toe - juist nu' op Socialevraagstukken.nl van Bas van Bavel, 23 februaruari 2018, is een afgeleide van dit boek.

3. Dit opinie-artikel in de Volkskrant over 'samen krijgen we de markt wel klein' van 16 februari 2018 sluit goed aan op de opmerking van Bas van Bavel over de 'nieuwe golf van zelforganisatie' die nodig is om het tij te keren.

4. De Rabobank concludeert na uitgebreide analyses dat 'het besteedbaar inkomen van huishoudens al bijna 40 jaar vrijwel stil staat'. Een gemiddeld huishouden uit 2014 heeft, gecorrigeerd voor inflatie, vrijwel hetzelfde besteedbaar inkomen als een huishouden uit 1977. Naast de afgenomen huishoudgrootte blijkt volgens de Rabobank een belangrijke reden te zijn dat economische groei zich steeds minder vertaalt in een hoger huishoudinkomen.

5. In 'Kapitaal in de 21ste eeuw' analyseert Thomas Piketty een groot aantal gegevens uit de laatste tweehonderd jaar uit twintig landen. Hij toont aan dat de ongelijkheid tussen de rijke bovenlaag en de rest van de bevolking toeneemt. De belangrijkste oorzaak van die toenemende ongelijkheid is de tendens dat de opbrengst op kapitaal groter is (en terecht komt bij een kleine vermogende bovenlaag) dan de economische groei (die ook nog maar eens mondjesmaat terecht komt bij de gewone burger). Op basis van alle onderzoeken stelt Piketty dat zonder de terugkeer van een stevige economische groei (waarvan iedereen profiteert), hoge belastingen op kapitaal of een nieuwe wereldoorlog, de ongelijkheid eindeloos zal blijven oplopen.

6. De Nederlandsche Bank (DNB) concludeerde 2013 het volgende: Het bruto binnenlands product (bbp) is in de laatste twintig jaar (sinds 1993) met 35 procent gestegen, maar het inkomen waarover huishoudens beschikken is daarbij sterk achtergebleven. Vorig jaar (2012) lag dat ongeveer op het niveau van 1997, wat betekent dat de koopkracht in vergelijking met vijftien jaar geleden niet is toegenomen. Een steeds groter deel van wat Nederland verdient komt niet de burgers ten goede maar bedrijven, collectieve zorguitgaven en pensioenen. Lees het artikel op Nrc.nl.

7. Interessant in dit verband is ook het artikel 'We genieten ons te pletter. Maar niemand is tevreden' uit 2012 van Paul Verhaeghe, psychoanalyticus en professor psycho­analyse aan de Gentse universiteit.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten